Gesprekken met kinderen

Tips voor ouders:

12 Gouden tips voor het voeren van gesprekken met kinderen en het spelenderwijs leren van woorden.

1 Vertel uw kind waar u mee bezig bent

Breng onder woorden waar u mee bezig bent en wat u doet, ook als u denkt dat uw kind het nog niet allemaal begrijpt. Zeg bijvoorbeeld:"Ik ga nu de macaroni koken want we moeten straks eten. Kijk eens, ik gooi de macaroni in het hete water. Zo wordt de macaroni gaar!" Als een onderwerp regelmatig terugkeert, leert uw kind er steeds meer bij.

2 Geef uw kind de gelegenheid om zelf te praten

Trek tijd uit om met uw kind te praten. Hierdoor leert het kind spelenderwijs veel woorden en zinnen actief gebruiken. Luister geduldig. Zeg bijvoorbeeld even niets en kijk uw kind belangstellend aan, of maak luistergeluiden als:"Mm. O ja?" Zo moedigt u het kind aan om door te praten.

3 Probeer een reactie uit te lokken door een stilte of een prikkelende opmerking

Door een prikkelende bewering te doen ("Ik vind spruitjes heerlijk!") roept u een reactie op bij uw kind. Het kind heeft meer vrijheid om te antwoorden dan bij een vraag als:"Vind jij spruitjes lekker?" Het kind kan met zijn antwoord nog alle kanten op, door bijvoorbeeld te vertellen wat hij zelf wel of niet lekker vindt. Als u een prentenboek voorleest, kunt u een vraag stellen over de inhoud. Als uw kind niets zegt, wacht dan 5 tot 10 seconden voor u zelf weer reageert. Zo krijgt uw kind tijd om na te denken en zelf een antwoord te formuleren.

4 Stel regelmatig open vragen

Probeer regelmatig open vragen te stellen,waarbij uw kind moet nadenken en een wat langer antwoord moet geven dan bij eenvoudige, gesloten vragen. Een voorbeeld van een gesloten vraag is:"Kan een spin ook vliegen?" Een voorbeeld van een open vraag is:Waarom maakt de spin een web? Waarom-vragen en hoe-vragen zijn in het algemeen open vragen. Let er wel op dat de vragen die u stelt niet te gemakkelijk of te moeilijk zijn voor uw kind.

5 Neem uw kind serieus en praat over wat het kind bedoelt

Probeer uw kind goed te begrijpen. Als uw kind iets zegt dat onbegrijpelijk of onlogisch lijkt, denk dan niet te snel dat het onzin is, maar vraag door.Vraag aan het kind wat het bedoelt door bijvoorbeeld te vragen:"Jij zegt 'opazagen'.Wat bedoel je? Is opa in de schuur? Is hij daar aan het zagen?" Als u er wat meer tijd voor neemt om erachter te komen wat uw kind bedoelt, zal blijken dat het vaak helemaal zo gek nog niet was wat het zei. Blijf geduldig om het kind niet te ontmoedigen.

6 Reageer positief op de uitingen van uw kind, ook al is de uiting niet correct

Alle kinderen maken fouten in hun taal. Deze 'fouten' zijn eigenlijk geen echte fouten maar vormen een noodzakelijk onderdeel van het leerproces.Wijs het kind niet uitgebreid op zijn 'fouten', maar verbeter hem onopvallend door de zin goed te herhalen. Alleen als het kind zich veilig voelt, zal het zich durven te uiten. Daarom is het belangrijk dat de gesprekken die u met uw kinderen voert in goede sfeer verlopen.

7 Probeer een echt gesprek op gang te brengen

Als u een gesprekje voert met meerdere kinderen, laat de kinderen dan ook op elkaar reageren, zodat ze ook echt met elkaar in gesprek gaan. U zegt bijvoorbeeld: "Sanne zegt dat ..., vind jij dat ook Johan?" Of: "Wat vind jij daarvan, Johan?" Let er op dat iedereen evenveel kansen krijgt om te praten, ook het kind dat wat minder spraakzaam of wat verlegen is. Dit kan door opmerkingen als: "Even wachten Johan, Sanne wil ook nog iets vertellen."

8 Leer uw kind woorden die passen bij wat er op dat moment gebeurt

Gebruik woorden uit de omgeving van het kind, uit het prentenboek dat u voorleest of over de dingen die het kind bezighouden. Leer uw kind geen losse woorden aan. Onderschat uw kind niet: u kunt beter te veel moeilijke woorden gebruiken dan te weinig. Ook als uw kind nog niet

alles begrijpt, zal het meestal wel iets oppikken. Het kind leert er in fases steeds meer bij. Gebruik bij peuters geen babywoorden meer als 'toet-toet' voor een auto of 'woef-woef' voor een hond, maar noem de dingen bij de naam.

9 Gebruik voorwerpen en plaatjes, gebruik gebaren of doe iets voor

Als u een nieuw woord gebruikt, ondersteun dit dan zoveel mogelijk met een plaatje of een voorwerp.Wijs het voorwerp of het plaatje aan en zeg tegelijkertijd het woord: "De kip!" Een volgende fase is dat het kind de juiste plaatjes en woorden aan kan wijzen. U vraagt: "Waar is de kip?" en het kind wijst aan. In de derde en moeilijkste fase vraagt u: "Wat is dat?" en het kind antwoordt: "De kip!" Sommige woorden zijn eenvoudig uit te leggen door gebaren te maken of door iets voor te doen. Dit geldt vooral voor werkwoorden als: eten, drinken, lachen, huilen, slapen, liggen, kruipen, springen, fietsen, enzovoort. U kunt ook uw kind vragen iets voor te doen: "Kun jij ook springen? Kruipen? Dansen?"

10 Kinderen zijn graag actief en willen meehelpen; maak hiervan gebruik

Betrek uw kind zoveel mogelijk bij alles wat u doet terwijl u vertelt wat u doet. Geef het kind bijvoorbeeld eenvoudige opdrachtjes als: "Wil je me helpen met aardappels schillen? Dan mag jij de aardappels die klaar zijn in de pan doen. Hier is de eerste aardappel. Doe hem maar in de pan." Als het kind niet goed weet wat het moet doen, begrijpt het de woorden nog niet. U kunt dan een beetje helpen, net zolang tot het wel alleen lukt. Met dit soort doe-opdrachten leert het kind spelenderwijs veel woorden.

11 Speel (taal)spelletjes met uw kind, zing liedjes en zeg rijmpjes op

Door taalspelletjes als "Wat is er allemaal rood in de kamer?" of "Wat is er allemaal klein/groot/vierkant/rond/zacht in de kamer?" leert het kind spelenderwijs veel woorden. Ook door kinderliedjes en rijmpjes leren (jonge) kinderen veel nieuwe woorden. Soms snappen ze nog niet alles maar dat komt later vanzelf wel. U hoeft niet elk moeilijk woord uit te leggen. Zorg voor veel leuke prentenboeken en aantrekkelijk, stimulerend speelgoed. Dit hoeven geen dure spullen te zijn. Een kind kan ook gefascineerd zijn door een grote kartonnen doos met gaten erin. Praat met de kinderen over wat ze aan het doen zijn. Stel hen vragen en geef hen doe-opdrachten: "Kun jij door dat gat kruipen?" Ga in het spel mee in de fantasie van uw kind en speel met hem mee.

12 Lees een prentenboek meerdere keren voor

Een prentenboek mag best iets te moeilijk zijn. Lees het vaker voor, bijvoorbeeld een week lang elke dag. U merkt wel aan uw kind of het dat nog steeds leuk vindt. Bij elke volgende keer gaat uw kind er meer van begrijpen en onthoudt het meer woorden en zinsconstructies. Uw kind gaat het nog leuker vinden als er ook voorwerpen bij het boek gezocht worden die tijdens het voorlezen gebruikt kunnen worden, bijvoorbeeld bepaalde dierenknuffels bij een boek over dieren.