Alle kinderen doen mee

De gemeente Waalwijk kent verschillende regelingen voor gezinnen met een laag inkomen, zodat kinderen toch mee kunnen doen.

In de bijlage de folder met informatie hoe de kinderen dan toch mee kunnen doen en welke voorwaarden er verbonden zijn aan het gebruik van deze regelingen.

Alle kinderen doen mee - gemeente Waalwijk

 

Wat doet de GGD 2017-2018?

Wat is Jeugdgezondheidszorg?
Kinderen ontwikkelen zich voortdurend, zowel lichamelijk, geestelijk als sociaal. Bij de meeste kinderen gaat dit zonder al te grote problemen. De jeugdgezondheidszorg ziet alle kinderen om zo tijdig te kunnen signaleren, begeleiden en eventueel te verwijzen als er zich problemen voordoen in de ontwikkeling van uw kind. Onze jeugdartsen en jeugdverpleegkundigen volgen de groei en ontwikkeling van uw kind.

U kunt meer lezen in de folder van de GGD. Hier kunt u ook onze contactpersonen vinden.

Wat doet de GGD?

verlofaanvraag

Als bijlage het formulier dat u kunt gebruiken om bijzonder verlof aan te vragen.

Let op: bij het aanvragen worden de regels van de leerplicht strict gehanteerd. In veruit de meeste gevallen zullen verlofaanvragen om vroeger op vakantie te gaan, of vakanties buiten de schoolvakanties worden afgewezen. 

Bij vermoeden van ongeoorloofd verlof zal altijd melding worden gemaakt bij de leerplichtambtenaar.

 

Aanvraagformulier verlof

Rapport onderwijsinspectie 2017

Als bijlage het definitieve rapport van de onderwijsinspectie nav het inspectiebezoek van 2 februari 2017.

Dit rapport is vastgesteld op 20 maart 2017.

 

definitief rapport van bevindingen 2017

Leerlingenzorg op onze school

Hoe de leerlingenzorg op onze school is georganiseerd kunt u, op hoofdlijnen, lezen in onze schoolgids in hoofdstuk 6a, f, g en i. In hoofdstuk 11 vindt u informatie over enkele ondersteunende diensten waar wij nauw mee samen werken.

Maar wist u dat:

- Wij het heel prettig vinden om via het intakegesprek met u en uw kind kennis te maken?

- Daar voor ons het startpunt van de leerlingenzorg ligt?

- Wij de kinderen meteen al het eerste half jaar heel nauwgezet volgen?

- Wij contact met u als ouder(s) heel erg belangrijk vinden?

- Wij u na een half jaar uitnodigen voor een evaluatiegesprek?

- U zeker niet tot dat moment moet wachten om met ons een afspraak te maken als u zich zorgen maakt over uw kind?

- Kinderen soms thuis wel, maar op school geen signalen afgeven als het niet goed met ze gaat?

- Wij dus heel blij zijn als u die signalen aan ons doorgeeft, zodat we er gezamenlijk iets aan kunnen doen?

- Alle kinderen elk half jaar door ons getoetst worden om hun ontwikkeling te kunnen volgen?

- Wij niet alleen naar de toetsresultaten kijken, maar uw kind ook goed observeren?

- Alle kinderen, tot en met die van groep 8, drie keer per jaar door de groepsleerkracht en de intern begeleider worden doorgesproken?

- Wij op die manier goed zicht proberen te houden op de ontwikkeling van uw kind?

- Wij u uitnodigen voor een gesprek als we denken dat iets niet goed gaat met uw kind?

- Wij ook vinden dat het niet goed gaat met uw kind als het te weinig uitdaging krijgt?

- Onze school extra aandacht geeft aan het taal- en leesonderwijs?

- Wij ook u willen ondersteunen als u thuis uw kind met schoolwerk wilt helpen?

- De leerkrachten aan het eind van het schooljaar met elkaar bespreken hoe ze het afgelopen jaar met uw kind gewerkt hebben?

- Wij op die manier de doorgaande lijn in ons onderwijs bewaken?

- Wij u de weg kunnen wijzen naar hulp, binnen of buiten de school, voor uw kind?

- U altijd een afspraak met de leerkracht van uw kind kunt maken?

- De intern begeleider daarbij aanwezig kan zijn als u of de leerkracht dat wil?

- U ook een afspraak kunt maken met de intern begeleider?

- Wij het heel belangrijk vinden dat kinderen goed in hun vel zitten?

- ...............................

Wilt u meer weten over ons zorgsysteem of hebt u vragen over de ontwikkeling van uw kind, maakt u dan gerust een afspraak met Ine van Bilsen (intern begeleider groep 1 tot en met 3) of Ingrid Kasper (intern begeleider groep 4 tot en met 8).

Wat te doen bij hoofdluis

In de groep van uw kind is hoofdluis geconstateerd, dus ook uw kind kan hiermee in aanraking zijn gekomen. Omdat hoofdluis vrij veel voorkomt, is het raadzaam als u de haren van uw kind en andere gezinsleden wekelijks even nakijkt en blijft nakijken. U kunt daarbij een luizenkam gebruiken. We willen in deze brief extra benadrukken dat het hebben van luizen niets met hygiëne te maken heeft.

U vindt de luizen op het hoofd, in het haar vlak bij de huid, rondom de oren, achter in de nek en onder de pony. De hoofdluis is 3 millimeter groot. De neten herkent u als witte korreltjes van  1 millimeter, die stevig vastgeplakt zitten aan de haren. Hieronder leest u praktische tips bij de bestrijding van hoofdluis. U kunt ook informatie krijgen bij de huisarts of apotheek.

 

Praktische tips bij hoofdluisbestrijding:

  • Lees eerst de bijsluiter van het bestrijdingsmiddel goed door.
  • Gebruik een goed middel; bij drogist en apotheek zijn goede middelen verkrijgbaar.
  • Altijd zorgen dat de hele hoofdhuid behandeld wordt; geen plekjes overslaan.
  • Na een juiste behandeling gaan de luizen en neten dood. Soms leven de luizen nog.

Ze zijn echter sloom en futloos en gaan na een tijdje wel dood.

  • Het is verstandig om de behandeling altijd na een week te herhalen, ook al staat op het

flesje dat het eigenlijk niet hoeft. Soms kunnen enkele neten blijven leven of kan er een

nieuwe besmetting optreden.

  • Het zwemmen in chloorwater wordt de eerste week afgeraden. Door het chloorwater neemt

de nawerking van het gebruikte middel af.

  • De eerste week na de behandeling geen hairconditioner of antiklitmiddel gebruiken.
  • Heel zelden lijken de luizen niet meer gevoelig voor een bepaald middel. U kunt dan een ander middel gebruiken.
  • Na gebruik de kammen en borstel goed reinigen. Ieder gebruikt een eigen kam.
  • Er zijn tegenwoordig luizencapes in de handel. Een plastic tas met gaatjes in de bodem voldoet ook prima. De gaatjes zijn voor de veiligheid van de kinderen, om verstikking te voorkomen.
  • Bij constatering van hoofdluis kunnen kinderen weer op school komen nadat ze zijn behandeld.

Verlofregeling + aanvraagformulier

Richtlijnen en procedure met betrekking tot extra verlof.

 

Slechts in uitzonderingsgevallen kan aan ouders worden toegestaan, dat de leerling tijdelijk de school niet bezoekt.

Enkele gewichtige omstandigheden zijn in de wet opgenomen. Het gaat dan om de volgende omstandigheden:

1.  als de school gesloten is;

2.  als bezoek van de school verboden is;

3.  als de leerling bij wijze van tuchtmaatregel geschorst is;

4.  als de leerling wegens ziekte verhinderd is de school te bezoeken;

5.  als de leerling wegens de vervulling van plichten voortvloeiend uit godsdienst of levensovertuiging verhinderd is de school te bezoeken;

6.  als de leerling vanwege de specifieke aard van het beroep van één van de ouders slechts buiten de schoolvakanties met hen op vakantie kan gaan (uitgewerkt in artikel 13a);

7.  de jongere door andere gewichtige omstandigheden verhinderd is de school te bezoeken (uitgewerkt in artikel 14).

 

Ad 1: als de school gesloten is:

Deze omstandigheden spreken voor zich.

 

Ad 2: als bezoek van de school verboden is.

Als voorbeeld kunnen worden genoemd de Besmettelijke Ziektenwet en de ter uitvoering daarvan gegeven voorschriften of maatregelen en als de burgemeester bij een burgerlijke uitzonderingstoestand het bezoeken van scholen verbiedt.

 

Ad 3: als de leerling bij wijze van tuchtmaatregel geschorst is.

Hierbij dienen de wettelijke procedures ten aanzien van schorsing, zoals die onder meer in de Wet op het Primair Onderwijs zijn opgenomen, gevolgd te worden.

 

Ad 4: verzuim wegens ziekte.

Bij verzuim wegens ziekte kan door de ouders worden volstaan met een mededeling aan de directeur. Hiervan moet binnen twee dagen na het ontstaan ervan bericht zijn ontvangen, zo mogelijk met opgave van de aard van de ziekte. Verderop wordt nog teruggekomen op oneigenlijk ziekteverzuim.

 

Ad 5: verzuim wegens vervulling van plichten voortvloeiend uit godsdienst of levensovertuiging.

Ook bij verzuim wegens vervulling van plichten voortvloeiend uit godsdienst of levensovertuiging kan worden volstaan met een mededeling aan de directeur. Hiervan moet uiterlijk twee dagen vóór de verhindering aan de directeur kennis worden gegeven.

N.B. niet alle godsdienstige activiteiten zijn ook godsdienstplichten.

 

Bij de interpretatie hiervan moet de uitleg beperkt worden tot de echte plichten. Niet elke door de betrokkene gewenste deelname aan bijeenkomsten op godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag is ook als godsdienstplicht aan te duiden. Er is derhalve een zekere ruimte om de melding te toetsen. Bij een vermoeden van misbruik kan de leerplichtambtenaar worden ingelicht, die een onderzoek kan instellen.

 

Ad 6Vakantieverlof (artikel 13a)

Vakantieverlof kan door u worden verleend, als een leerling, vanwege de specifieke aard van het beroep van één van de ouders, slechts buiten de schoolvakanties met hen op vakantie kan gaan.

 

Toelichting

Bij de specifieke aard van het beroep van één van de ouders moet gedacht worden aan seizoengebonden arbeid, zoals die voorkomt in de agrarische en de toeristische sector en de horeca.

Extra wintersportvakantie of een langdurig bezoek van allochtonen aan het thuisland vallen dus niet (meer) onder het begrip vakantieverlof. Door de wetgever is, in de Memorie van Toelichting bij de wetswijziging van 1994, aangegeven dat deze redenen voor verlof ook niet meer kunnen vallen onder het begrip "andere gewichtige omstandigheden" (artikel 14. lid juncto artikel 11 onder g van de Leerplichtwet.) Zie pagina 3.

 

Procedure:

1.  Vakantieverlof moet twee maanden van tevoren schriftelijk worden aangevraagd;

2.  Voor het aanvragen van vakantieverlof wordt een standaardformulier ingevuld. Deze formulieren worden door de leerplichtambtenaar aan de directies verstrekt.

3.  De directeur neemt, bij zijn beslissing, de richtlijnen voor vakantieverlof in acht.

4.  De directeur of degene, die daartoe door hem gemachtigd is beslist schriftelijk binnen 8 weken.

5.  Alvorens een beslissing te nemen kan de directeur bewijsstukken opvragen en advies vragen aan de leerplichtambtenaar.

6.  Bij toekenning van het vakantieverlof houdt de directeur er rekening mee, dat dit slechts eenmaal per schooljaar voor maximaal 10 schooldagen gebeurt en dat het verlof geen betrekking heeft op de eerste twee lesweken van het nieuwe schooljaar;

7.  Bij weigering van het vakantieverlof dienen de ouders gehoord te worden (dit mag ook telefonisch). Hiervan moet een verslag(je) worden gemaakt, dat aan de ouders wordt toegezonden.

8   De directeur wijst de ouders in zijn definitieve besluit op de bezwaarmogelijkheden en de bijbehorende procedure (zie schema).

9.  De directeur controleert of de ouders zich aan zijn besluit houden.

N.B. De dagen waarop vakantieverlof is verleend, blijven buiten beschouwing voor de berekening van het aantal dagen waarop verlof wegens gewichtige omstandigheden wordt verleend.

 

Ad 7: Andere gewichtige omstandigheden (artikel 14)

De richtlijn met betrekking tot andere gewichtige omstandigheden bestaat uit drie onderdelen.

 

Uitzondering 1: extra verlof wegens familie-omstandigheden.

-    bij huwelijk en huwelijks- of andere jubilea, ernstige ziekte en overlijden van ouder(s) en bloed- en/of aanverwanten tot en met de derde graad: ten hoogste twee dagen, afhankelijk van de plaats waar de gebeurtenis plaatsvindt;

-    bij verhuizing: 1 dag;

-    bij gezinsuitbreiding: 1 dag.

 

In uitzonderlijke gevallen kan nog voor enkele extra dagen verlof worden verleend.

N.B.: ook andere samenlevingsvormen dan het huwelijk vallen hier onder.

 

Uitzondering 2: medische of sociale redenen

-    wanneer er een medische noodzaak bestaat voor extra verlof dan dient een medische verklaring te worden overgelegd;

-    wanneer er een sociale indicatie voor extra verlof aanwezig is, dan dient een verklaring van een sociale instantie te worden overgelegd, waaruit die indicatie blijkt.

 

Uitzondering 3: extra verlof wegens kennelijke onredelijkheid.

-    wanneer het weigeren van toestemming voor extra verlof volgens de hiervoor genoemde richtlijnen tot een kennelijke onredelijkheid zou leiden kan extra verlof worden verleend;

-    het belang van de leerling speelt hierbij een belangrijke rol;

-    de duur van het verlof mag geen rol spelen.

 

Toelichting:

U dient zelf een zorgvuldige afweging te maken, waarbij de precedentwerking zeker niet uit het oog mag worden verloren.

In dat verband is het van belang:

 -   dat u bij een beslissing de beginselen van behoorlijk bestuur hanteert, zoals zorgvuldigheid, beslissen zonder vooringenomenheid, evenredigheid van belangen en een goede motivering.

-    dat de afhandeling schriftelijk gebeurt. Dit is van belang in verband met bezwaar en beroep, maar is ook in het geval van een gunstige beschikking wenselijk in verband met registratie, verantwoording en eventuele discussies achteraf over de periode van verlof.

 

Geen gewichtige omstandigheden zijn b.v.:

-    een afwijkend vakantierooster van slechts enkele dagen van andere kinderen uit het gezin, die op andere scholen zitten;

-    zomaar een lang weekend;

-    geen andere boekingsmogelijkheden;

-    voor vakantie in voor- of naseizoen in verband met de lagere prijzen;

-    een uitnodiging van b.v. een oom/tante of grootouders om mee op vakantie te gaan buiten de schoolvakantie;

-    eerder afreizen of later terugkeren van vakantie in verband met de drukte op de weg;

-    familiebezoek in een ander werelddeel, al dan niet gekoppeld aan een vakantie, dus ook geen extra verlof aan allochtonen om eerder naar hun thuisland terug te keren;

-    als al een ticket is gekocht terwijl verlof niet kan worden verleend.

Wel gewichtige omstandigheden kunnen zijn:

-    als voldaan moet worden aan een wettelijke verplichting;

-    als een leerling, in verband met een bepaalde (sport)prestatie, wordt afgevaardigd naar een nationaal of internationaal toernooi;

-    wereldjamboree van de scouting;

-    in bepaalde gevallen: internationaal voetbaltoernooi van de leerling zelf: per geval bekijken;

-    in bepaalde gevallen: huwelijk van anderen dan bloed- of aanverwanten: per geval bekijken. Hierbij kan b.v. gedacht worden aan kinderen, die bruidsmeisje of bruidsjonker mogen zijn bij anderen dan bloed- of aanverwanten.

 

Procedure:

1.  Verzoeken om extra verlof moeten schriftelijk en tijdig worden ingediend bij de directeur van de school. Hiertoe kan gebruik worden gemaakt van het standaardaanvraagformulier. Uitzondering hierop zijn doktersbezoeken e.d., die in de regel minder dan een dagdeel in beslag nemen.

2.  De directeur beslist op verzoeken om extra verlof van 10 schooldagen of minder, met inachtneming van de hiervoor genoemde richtlijnen.

 

Hierbij kunnen zich twee situaties voordoen:

A.      Het verlof wordt ingewilligd. In dat geval kan de achterzijde van het aanvraagformulier worden ondertekend en aan de ouders overhandigd. Een afschrift van de aanvraag en de beslissing hierop wordt in het persoonlijk dossier van de leerling opgeborgen en er wordt een aantekening gemaakt in het statistisch overzicht verzuim. Hoewel de Algemene Wet Bestuursrecht er van uit gaat, dat binnen 8 weken een schriftelijk besluit moet zijn genomen, zullen in de praktijk zeker kortere beslissingstermijnen kunnen worden gehanteerd. In de regel zal hierop dezelfde dag nog kunnen worden beslist.

 

B.      De aanvraag kan niet of niet geheel worden ingewilligd.

Dat betekent, dat u de aanvrager(s) in de gelegenheid moet stellen hun zienswijze naar voren te brengen als de  afwijzing zou steunen op gegevens over feiten en belangen, die de aanvrager betreffen en die gegevens afwijken van hetgeen de aanvrager terzake zelf heeft verstrekt. (b.v. informatie, die u van derden heeft ontvangen)

Van dit "horen" moet een verslag(je) worden gemaakt, waar in het kort wordt weergegeven hetgeen is besproken. Dit "horen" kan ook telefonisch. Het verslag moet aan de aanvrager worden toegezonden.

 

Bij de beslissing moet het volgende in acht worden genomen:

-        de beslissing moet binnen een redelijke termijn worden genomen. In de Algemene Wet Bestuursrecht wordt uitgegaan van een termijn van 8 weken. In de praktijk zult u over het algemeen korte(re) beslissingstermijnen moeten hanteren;

-        bij de beslissing moeten de beginselen van behoorlijk bestuur worden gehanteerd, zoals zorgvuldigheid, beslissen zonder vooringenomenheid, evenredigheid van belangen en een goede motivering;

-        in de beschikking moet de mogelijkheid van bezwaar aan de aanvragers worden vermeld;

-        de afhandeling moet schriftelijk gebeuren. Dit is van belang in verband met bezwaar en beroep, maar is ook in het geval van een gunstige beschikking wenselijk in verband met registratie, verantwoording en eventuele discussies achteraf over de periode van verlof.

3.  Wanneer een verzoek om extra verlof meer dan 10 schooldagen behelst of als, door cumulatie van aanvragen gedurende het schooljaar het aantal van 10 wordt overschreden, wordt het verzoek terstond, ter afdoening, doorgezonden aan de leerplichtambtenaar van de gemeente Waalwijk.

4.  Zonodig kan de directeur om bewijsstukken vragen.

5.  De directeur controleert of de ouders zich aan het besluit houden.

Hieronder kunt u het verlofformulier downloaden. Wanneer u het hebt ingevuld, geeft u het dan a.u.b. op school af ter beoordeling van uw aanvraag. Wij streven er naar u zo snel mogelijk te laten weten of het door u aangevraagde verlof kan worden toegekend.

 formulier verlofaanvraag

Ouderinformatie beleidsplan leesproblemen en dyslexie

BASISSCHOOL BAARDWIJK.

De leesvorderingen van alle leerlingen worden in november, januari, maart en juni besproken door leerkracht(en) en IB-er(s).

Groep 1-2

Aan de hand van de observaties en leerlingvolgsysteem worden de risicoleerlingen geselecteerd door kleuterleerkrachten en intern begeleider. Die kinderen krijgen in groep 3 extra ondersteuning in de vorm van individuele begeleiding. Dit wordt besproken met leerkrachten groep 3 en ouders.

Groep 3

Begin groep 3: De kinderen die eind groep 2 hiervoor geselecteerd zijn krijgen individuele begeleiding bij de rode piramide.

We volgen de toetsmomenten zoals die in de handleiding van Veilig leren lezen worden aangegeven.

Groep 4 tot en met 8:

Wekelijks zijn er vier leesmomenten van 30 minuten (effectieve leestijd) in groep 4, 5 en 6.In groep 7 en 8 zijn dit nog twee leesmomenten van 30 minuten per week. BAVI-lezen staat hierbij centraal. Kinderen die op en/of onder het vastgestelde minimum AVI streefniveau (zie bijlage) scoren en een D/E score halen op de DMT krijgen in deze tijd twee keer per week begeleiding van de leerkracht middels Estafette. De overige momenten doen zij mee met BAVI-lezen. Bij hardnekkige leesproblemen wordt gewerkt met RALFI-lezen. Aan de ouders van deze kinderen wordt gevraagd met behulp van de richtlijnen uit “Samen beter lezen” thuis (liefst dagelijks) te lezen met hun kind.

Aanvang groep 4:           Op basis van de toetsgegevens van eind groep 3 wordt gestart met Estafette/RALFI-leerlijnen voor de kinderen die onder het vastgestelde minimum AVI niveau scoren.

Oktober/november:        DMT leeskaart 3 + AVI leeskaarten (alle kinderen die AVI plus nog niet beheersen)

Estafette/RALFI-leerlijnen voor zwakke lln. worden op- of bijgesteld.

Januari:                         DMT kaart 3 + AVI leeskaarten (kinderen die lezen met Estafette/RALFI)

                                    CITO spelling 2010 M4

                                    CITO Begrijpend lezen 2010

Maart:                            DMT kaart 3 + AVI leeskaarten (alle kinderen die AVI plus nog niet beheersen)

Eind mei/juni:                DMT kaart 3 + AVI-leeskaarten (alle kinderen die AVI plus nog niet beheersen)

                                   CITO spelling 2010 E4

De effecten van het werken met Estafette/RALFI voor zwakke leerlingen en de eindsituatie worden beschreven. Het advies voor de begeleiding in groep 5 wordt geformuleerd en besproken met de leerkracht van groep 5.

Groep 5, 6, 7 en 8:

Dezelfde stappen als in groep 4 worden doorlopen.

EXTRA FACILITEITEN DIE GEBODEN KUNNEN WORDEN (startend aanvang of in de loop van groep 5)

De extra faciliteiten zijn gericht op het accepteren, corrigeren, remediëren, stimuleren, compenseren en dispenseren van de dyslexie. Als we merken dat we als school te weinig vorderingen boeken of door organisatorische omstandigheden te weinig individuele hulp kunnen bieden, zullen we de ouders adviseren om buitenschoolse orthopedagogische of remediërende hulp te zoeken. We verwijzen dan door naar Balans (een belangenvereniging voor ouders met kinderen leer- en/of gedragsproblemen).

De ouders zullen dan zelf verantwoordelijk zijn voor de kosten.

In overleg tussen IB-er en leerkracht wordt bepaald welke maatregelen voor welk kind gelden.

Compenserende/ dispenserende maatregelen (vanaf groep 5/6):

  • Lesstof wordt zo min mogelijk gedicteerd.
  • De leerlingen krijgen voldoende tijd om zaken van het bord over te nemen. Of zij mogen aantekeningen van een klasgenoot kopiëren.
  • Belangrijke woorden worden duidelijk op het bord geschreven.
  • Als het werktempo laag is vanwege automatiseringsproblemen, dan wordt er minder verwerkingsstof aangeboden.
  • Aantekeningen van het bord of in het werkboek kunnen gekopieerd aan de leerling worden gegeven.
  • De leerlingen krijgen de kans om proefwerken mondeling af te leggen als de schrijfvaardigheid te zwak is.
  • Als een proefwerk schriftelijk wordt gemaakt wordt niet beoordeeld op spellingfouten.
  • Gebruik maken van speciale hulpmiddelen voor kinderen met dyslexie in combinatie met materiaal van Dedicon (www.dedicon.nl). Dit moet door de ouders zelf aangevraagd worden.
  • Gebruik van een computer voor opdrachten en proefwerken (incl. gebruik van spellingcontrole).  
  • Dictees worden zoveel mogelijk met de klas geschreven meegemaakt. Als blijkt dat de dictees te moeilijk zijn en de leerling is ervoor gemotiveerd is, dan worden de dictees thuis ingeoefend. Mocht blijken dat het niveau dan nog te moeilijk is, dan worden de dictees (als dit organisatorisch mogelijk is) op de computer gemaakt. Eerst met en later zonder spellingcontrole.
  • Besloten kan worden dat een kind werkt met visuele dictees.
  • CITO-toetsen worden voorgelezen of beluisterd.
  • Methodegebonden toetsen van begrijpend lezen worden voorgelezen of beluisterd.
  • Toetsen en opdrachten worden uitvergroot.
  • Als het organisatorisch mogelijk is wordt er in of buiten de klas extra ondersteuning gegeven in een groepje of individueel.

Corrigerende maatregelen:

  • Structureren van leergedrag d.m.v. bijv. de “beertjes” van Meichenbaum.
  • Inzicht bieden in spellingstructuren, ook door een eigen spellingmap. Ook de grammaticaregels worden hierin opgenomen.
  • Onvoldoende gemaakte proefwerken mondeling herkansen.
  • Kaartjes met aandachtspunten (stappenplan, tafelkaart, spellingregel).

Accepterende maatregelen:

  • Er worden gesprekjes gevoerd met de leerlingen.
  • De leerlingen krijgen de kans om een spreekbeurt te houden over dyslexie.
  • In de klassensituatie wordt benadrukt wat de leerling goed kan.

Hulpmiddelen speciaal voor dyslectische kinderen:

  • Er zijn diverse hulpmiddelen voor dyslectische kinderen op de markt. Wij staan er voor open dat kinderen op onze school gebruik maken van het voor hen noodzakelijke hulpmiddel.

De voor het kind geldende compenserende en dispenserende maatregelen worden vanaf groep 5 in een plan van aanpak vastgelegd en dat plan van aanpak gaat mee naar de volgende klas en kan daar gedurende het schooljaar weer worden aangepast.

DE DIAGNOSE

Wanneer een kind vanaf maart/april groep 4 één of meer AVI- niveaus (achterstand een half jaar of meer) onder het vastgestelde minimumniveau (zie bijlage 4) scoort en D/E scores op de DMT haalt, gaan we over tot een intern onderzoek door de IB-er. Ouders worden hiervan vooraf op de hoogte gesteld door de IB-er.

In verband met het stellen van een voorlopige diagnose wordt ook gelet op de volgende 5 criteria:

  1. Criterium van achterstand.
  2. Criterium van gebrek aan accuratesse.
  3. Criterium tot voldoende gelegenheid tot leren.
  4. Criterium van hardnekkigheid.

5.  Criterium van een tekort in de automatisering.

Op grond van het diagnostisch onderzoek en de verzamelde resultaten/gegevens kan een vermoeden van dyslexie uitgesproken worden. Een vermoeden van dyslexie geeft recht op faciliteiten binnen de school. Deze faciliteiten zijn afhankelijk van het niveau van spelling en technisch lezen en worden door leerkracht en IB-er opgesteld. Ouders worden geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoek en de faciliteiten die het kind geboden zullen gaan worden. De faciliteiten die wij bieden als Basisschool Baardwijk worden verder in dit protocol uitgewerkt.

EEN OFFICIËLE DYSLEXIEVERKLARING

Een officiële dyslexieverklaring wordt afgegeven door een gekwalificeerde orthopedagoog of psycholoog.

Een officiële dyslexieverklaring geeft recht op extra faciliteiten in het voortgezet onderwijs. Op basisschool Baardwijk gaan wij met een kind met een vermoeden van dyslexie op dezelfde manier om als met een kind met een officiële dyslexieverklaring.

Vanaf 2009 wordt het basispakket zorgverzekeringen uitgebreid met de diagnostiek en behandeling van ernstige dyslexie voor kinderen die op of na 1 januari 2001 geboren zijn. Overigens valt alleen de diagnostiek en behandeling van kinderen conform de criteria van het Protocol Dyslexie Diagnose en Behandeling binnen het basispakket. Daar waar mogelijk maken we gebruik van deze regeling voor het vaststellen van dyslexie.

In principe doen de kinderen met een “vermoeden van dyslexie” in november groep 8 mee aan een groepsonderzoek dyslexie via de SOM.

Kinderen met een ernstige vorm van dyslexie, die voor het functioneren binnen de basisschool zijn aangewezen op speciale hulpmiddelen, kunnen in lagere leerjaren in aanmerking komen voor een dyslexieonderzoek door de SOM. Dit onderzoek wordt alleen dan aangevraagd wanneer de ouders van het kind (al of niet vergoed door de ziektekostenverzekering) daadwerkelijk over willen gaan tot aanschaf van speciale hulpmiddelen waarvoor een officiële dyslexieverklaring vereist is. De school moet de noodzaak van de hulpmiddelen voor het betreffende kind onderschrijven. Er kan ook tot eerder extern onderzoek worden overgegaan als de school zelf vast loopt in de begeleiding van het kind.

Inschrijfformulier Bs Baardwijk

inschrijfformulier.pdf

U kunt dit formulier uitprinten, volledig invullen en opsturen naar:

Bs Baardwijk
Balade 7
5142 WX Waalwijk

U kunt het formulier ook afgeven bij de school.

Gesprekken met kinderen

Tips voor ouders:

12 Gouden tips voor het voeren van gesprekken met kinderen en het spelenderwijs leren van woorden.

1 Vertel uw kind waar u mee bezig bent

Breng onder woorden waar u mee bezig bent en wat u doet, ook als u denkt dat uw kind het nog niet allemaal begrijpt. Zeg bijvoorbeeld:"Ik ga nu de macaroni koken want we moeten straks eten. Kijk eens, ik gooi de macaroni in het hete water. Zo wordt de macaroni gaar!" Als een onderwerp regelmatig terugkeert, leert uw kind er steeds meer bij.

2 Geef uw kind de gelegenheid om zelf te praten

Trek tijd uit om met uw kind te praten. Hierdoor leert het kind spelenderwijs veel woorden en zinnen actief gebruiken. Luister geduldig. Zeg bijvoorbeeld even niets en kijk uw kind belangstellend aan, of maak luistergeluiden als:"Mm. O ja?" Zo moedigt u het kind aan om door te praten.

3 Probeer een reactie uit te lokken door een stilte of een prikkelende opmerking

Door een prikkelende bewering te doen ("Ik vind spruitjes heerlijk!") roept u een reactie op bij uw kind. Het kind heeft meer vrijheid om te antwoorden dan bij een vraag als:"Vind jij spruitjes lekker?" Het kind kan met zijn antwoord nog alle kanten op, door bijvoorbeeld te vertellen wat hij zelf wel of niet lekker vindt. Als u een prentenboek voorleest, kunt u een vraag stellen over de inhoud. Als uw kind niets zegt, wacht dan 5 tot 10 seconden voor u zelf weer reageert. Zo krijgt uw kind tijd om na te denken en zelf een antwoord te formuleren.

4 Stel regelmatig open vragen

Probeer regelmatig open vragen te stellen,waarbij uw kind moet nadenken en een wat langer antwoord moet geven dan bij eenvoudige, gesloten vragen. Een voorbeeld van een gesloten vraag is:"Kan een spin ook vliegen?" Een voorbeeld van een open vraag is:Waarom maakt de spin een web? Waarom-vragen en hoe-vragen zijn in het algemeen open vragen. Let er wel op dat de vragen die u stelt niet te gemakkelijk of te moeilijk zijn voor uw kind.

5 Neem uw kind serieus en praat over wat het kind bedoelt

Probeer uw kind goed te begrijpen. Als uw kind iets zegt dat onbegrijpelijk of onlogisch lijkt, denk dan niet te snel dat het onzin is, maar vraag door.Vraag aan het kind wat het bedoelt door bijvoorbeeld te vragen:"Jij zegt 'opazagen'.Wat bedoel je? Is opa in de schuur? Is hij daar aan het zagen?" Als u er wat meer tijd voor neemt om erachter te komen wat uw kind bedoelt, zal blijken dat het vaak helemaal zo gek nog niet was wat het zei. Blijf geduldig om het kind niet te ontmoedigen.

6 Reageer positief op de uitingen van uw kind, ook al is de uiting niet correct

Alle kinderen maken fouten in hun taal. Deze 'fouten' zijn eigenlijk geen echte fouten maar vormen een noodzakelijk onderdeel van het leerproces.Wijs het kind niet uitgebreid op zijn 'fouten', maar verbeter hem onopvallend door de zin goed te herhalen. Alleen als het kind zich veilig voelt, zal het zich durven te uiten. Daarom is het belangrijk dat de gesprekken die u met uw kinderen voert in goede sfeer verlopen.

7 Probeer een echt gesprek op gang te brengen

Als u een gesprekje voert met meerdere kinderen, laat de kinderen dan ook op elkaar reageren, zodat ze ook echt met elkaar in gesprek gaan. U zegt bijvoorbeeld: "Sanne zegt dat ..., vind jij dat ook Johan?" Of: "Wat vind jij daarvan, Johan?" Let er op dat iedereen evenveel kansen krijgt om te praten, ook het kind dat wat minder spraakzaam of wat verlegen is. Dit kan door opmerkingen als: "Even wachten Johan, Sanne wil ook nog iets vertellen."

8 Leer uw kind woorden die passen bij wat er op dat moment gebeurt

Gebruik woorden uit de omgeving van het kind, uit het prentenboek dat u voorleest of over de dingen die het kind bezighouden. Leer uw kind geen losse woorden aan. Onderschat uw kind niet: u kunt beter te veel moeilijke woorden gebruiken dan te weinig. Ook als uw kind nog niet

alles begrijpt, zal het meestal wel iets oppikken. Het kind leert er in fases steeds meer bij. Gebruik bij peuters geen babywoorden meer als 'toet-toet' voor een auto of 'woef-woef' voor een hond, maar noem de dingen bij de naam.

9 Gebruik voorwerpen en plaatjes, gebruik gebaren of doe iets voor

Als u een nieuw woord gebruikt, ondersteun dit dan zoveel mogelijk met een plaatje of een voorwerp.Wijs het voorwerp of het plaatje aan en zeg tegelijkertijd het woord: "De kip!" Een volgende fase is dat het kind de juiste plaatjes en woorden aan kan wijzen. U vraagt: "Waar is de kip?" en het kind wijst aan. In de derde en moeilijkste fase vraagt u: "Wat is dat?" en het kind antwoordt: "De kip!" Sommige woorden zijn eenvoudig uit te leggen door gebaren te maken of door iets voor te doen. Dit geldt vooral voor werkwoorden als: eten, drinken, lachen, huilen, slapen, liggen, kruipen, springen, fietsen, enzovoort. U kunt ook uw kind vragen iets voor te doen: "Kun jij ook springen? Kruipen? Dansen?"

10 Kinderen zijn graag actief en willen meehelpen; maak hiervan gebruik

Betrek uw kind zoveel mogelijk bij alles wat u doet terwijl u vertelt wat u doet. Geef het kind bijvoorbeeld eenvoudige opdrachtjes als: "Wil je me helpen met aardappels schillen? Dan mag jij de aardappels die klaar zijn in de pan doen. Hier is de eerste aardappel. Doe hem maar in de pan." Als het kind niet goed weet wat het moet doen, begrijpt het de woorden nog niet. U kunt dan een beetje helpen, net zolang tot het wel alleen lukt. Met dit soort doe-opdrachten leert het kind spelenderwijs veel woorden.

11 Speel (taal)spelletjes met uw kind, zing liedjes en zeg rijmpjes op

Door taalspelletjes als "Wat is er allemaal rood in de kamer?" of "Wat is er allemaal klein/groot/vierkant/rond/zacht in de kamer?" leert het kind spelenderwijs veel woorden. Ook door kinderliedjes en rijmpjes leren (jonge) kinderen veel nieuwe woorden. Soms snappen ze nog niet alles maar dat komt later vanzelf wel. U hoeft niet elk moeilijk woord uit te leggen. Zorg voor veel leuke prentenboeken en aantrekkelijk, stimulerend speelgoed. Dit hoeven geen dure spullen te zijn. Een kind kan ook gefascineerd zijn door een grote kartonnen doos met gaten erin. Praat met de kinderen over wat ze aan het doen zijn. Stel hen vragen en geef hen doe-opdrachten: "Kun jij door dat gat kruipen?" Ga in het spel mee in de fantasie van uw kind en speel met hem mee.

12 Lees een prentenboek meerdere keren voor

Een prentenboek mag best iets te moeilijk zijn. Lees het vaker voor, bijvoorbeeld een week lang elke dag. U merkt wel aan uw kind of het dat nog steeds leuk vindt. Bij elke volgende keer gaat uw kind er meer van begrijpen en onthoudt het meer woorden en zinsconstructies. Uw kind gaat het nog leuker vinden als er ook voorwerpen bij het boek gezocht worden die tijdens het voorlezen gebruikt kunnen worden, bijvoorbeeld bepaalde dierenknuffels bij een boek over dieren.

Piramide

Piramide, informatie voor ouders en verzorgers.

Uit brochure: Piramide, evenwichtig, vol afwisseling en bovenal: Leuk!

(Cito-groep, dr. Jef J. van Kuyk)

Piramide

Een gezellig lokaal, met knusse hoeken voor kinderen die alleen of samen willen spelen. Maar ook een grotere ruimte waar de hele groep actief kan zijn. Aan de muur hangen dagritmekaarten, een serie plaatjes die laat zien wat er die dag allemaal op het programma staat. Ernaast het speelwerkbord, dat kinderen helpt te zien of te kiezen welke activiteit ze gaan doen. Het aantrekkelijke spelmateriaal is opgeborgen in voor de kinderen overzichtelijke kasten. Zo ongeveer ziet een klas eruit waarin met Piramide wordt gewerkt. Piramide is een methode voor kinderen tussen 2 ½ en 7 jaar die op een peuterspeelzaal of kinderdagverblijf zitten, of en groep 1, 2, 3 van de basisschool.

Totaalprogramma

Piramide is een totaalprogramma. Dat betekent dat er aandacht is voor alle ontwikkelingsgebieden van uw kind. Er wordt dus niet alleen gelet of uw kind goed leert praten of tellen, maar ook of het prettig met anderen kan omgaan en plezier heeft in spelen. Misschien kan uw kind fantastisch tekenen, of wil het graag muziek maken. Het gaat binnen Piramide om het welzijn van uw kind en daarom is er ruimte om je als kind te ontwikkelen op alle mogelijke gebieden. Kinderen die extra steun nodig hebben, krijgen individuele hulp; tutoring heet dat bij Piramide.

Acht ontwikkelingsgebieden

De Piramide-methode richt zich op acht ontwikkelingsgebieden, zij vormen de basis:

  • Ontwikkeling van de waarneming wil zeggen werken met alle zintuigen als voelen, proeven, ruiken, zien en horen aan de hand van aanschouwelijk materiaal. Dit is een belangrijke voorwaarde voor het verder leren.
  • Persoonlijkheidsontwikkeling wil zeggen werken aan zelfredzaamheid, zelfstandigheid, zelfcontrole en doorzettingsvermogen.
  • Sociaal-emotionele ontwikkeling wil zeggen leren omgaan met gevoelens als blij, bedroefd, boos en bang; sociaal gedrag als weerbaarheid, samenspelen en samen leren.
  • Denkontwikkeling en ontwikkeling van rekenen wil zeggen omgaan met zaken  als sorteren, groeperen en in volgorde zetten; omgaan met getallen, tellen en vergelijken en het maken van eenvoudige operaties.
  • Taalontwikkeling en ontwikkeling van lezen en schrijven wil zeggen communiceren met andere kinderen en volwassenen, werken aan woordenschatuitbreiding, interactief voorlezen, voorbereiden op lezen en schrijven.
  • Oriëntatie op ruimte en tijd en wereldverkenning wil zeggen werken aan ruimte- en tijdsbesef, het leren van ruimte- en tijdsbegrippen en het oriënteren op de wereld door het opdoen van ervaringen in de projecten.
  • Motorische ontwikkeling wil zeggen grof motorische vaardigheden als springen, mikken, zwemmen en dans; fijn motorische vaardigheden als teken- en schrijfmotoriek, zoals het omgaan met stiften, potloden, schaar, het schrijven van letters en cijfers.
  • Kunstzinnige ontwikkeling wil zeggen werken met klei, verf, papier en textiel en zaken als kleur, vorm, licht en ruimte, werken met liedjes en muzikale elementen als maat, ritme, toonhoogte en toonsterkte.

Spel staat centraal

Het is uw vast ook wel eens opgevallen: jonge kinderen leren heel veel door hun spel. Spel staat dan ook centraal in Piramide. In het vrije spel kiest uw kind waarmee het aan de slag gaat in het lokaal. Misschien wil het graag in de bouwhoek spelen, of in de huishoek. Maar de taalhoek is ook erg aantrekkelijk, net als de ontdektafel of knutselhoek. De Piramideomgeving nodigt uw kind uit om te spelen en als het aarzelt, omdat het niet weet wat precies te kiezen, dan helpt de juf een handje. Ook als het spel dreigt vast te lopen, kan de juf bijspringen. Ze neemt het spel niet over, maar speelt bijvoorbeeld een tijdje mee en probeert ondertussen nieuwe ideeën aan te dragen.

Zelfstandig leren

Kinderen willen niet alleen spelen. Ze willen ook zelf de wereld ontdekken en ze willen zelf nieuwe dingen leren. De juf zorgt voor een rijke leeromgeving, waar kinderen keuzes kunnen maken. Kinderen willen graag leren lezen en ze willen graag hun naam schrijven. De leerkracht zorgt dat dat mogelijk is.

Projecten

Samen met de leerkracht is de groep ongeveer twee tot drie weken bezig met een projectthema. De projecten gaan over vertrouwelijke dingen, bijvoorbeeld over Huis, Kleding, Lente of Sinterklaas. Elk jaar komen deze onderwerpen terug, alleen dan op een hoger niveau.

Vaste dagopbouw en contact met ouders

Een Piramidedag heeft een vaste opbouw. U bent van harte welkom bij de zogeheten spelinloop, waarin u met uw kind kan spelen. Dat maakt de overgang tussen thuis en school een stuk gemakkelijker. Omdat het in Piramide om heel jonge kinderen gaat, is een goed contact tussen leerkracht en u erg belangrijk. Een natuurlijk moment om samen even te praten is aan het begin of aan het eind van de dag. Tijdens de ouderavonden bespreekt de leerkracht met u hoe uw kind zich ontwikkelt en hoe zijn of haar vorderingen verlopen. Wanneer u op een ander moment wat wilt bespreken, kunt u natuurlijk altijd een aparte afspraak met de leerkracht maken.

Het belangrijkste is wel dat u thuis met uw kind activiteiten kunt doen, die in de projecten aan de orde zijn. Voor suggesties kunt u de nieuwsbrief lezen, die elk project mee naar huis gaat. Niet alleen leuk, maar ook leerzaam.

Informatie over elk kind afzonderlijk

De leerkracht verzamelt informatie over alle kinderen afzonderlijk, bijvoorbeeld door ze dagelijks te observeren. Daarnaast maken de kinderen een aantal toetsen. Dat vinden ze geweldig. Op grond van de toetsen en de observaties krijgt de juf een evenwichtig beeld van de ontwikkeling van ieder kind.

Als blijkt dat een kind problemen heeft of een achterstand heeft opgelopen, kan de lkr. gebruikmaken van de observatie- en hulpprogramma's. Hiermee wordt vastgesteld waar de problemen zich voordoen en kan tijdig gerichte hulp geboden worden. 

Tutor

Een tutor in de Piramide-methode is een speciaal getrainde leerkracht die binnen de groep individueel of in kleine groepen met de kinderen werkt. Sommige kinderen hebben extra ondersteuning nodig. Het belangrijkste deel van het tutorprogramma bestaat uit het vooraf, preventief, doornemen van de activiteiten van het groepsprogramma. Als het kind onvoldoende profiteert van de preventieve tutoring, dan krijgt het remediërende tutoring.

Resultaten met Piramide

In 1996 ging Piramide van start. Leerkrachten en leidsters zijn erg enthousiast, maar ook de kinderen vinden het enig. Maar misschien het allerbelangrijkste: uit onderzoek is gebleken dat het werken met Piramide uitstekende resultaten oplevert. “Piramidekinderen” zijn verder in hun taalontwikkeling en denkontwikkeling.

Omgaan met besmettelijke ziekten

Bij twee besmettelijke ziekten, krentenbaard en waterpokken, gelden op school speciale afspraken.

In beide gevallen zijn het ziekten waarbij kinderen besmettelijk zijn voordat ze zelf de ziekteverschijnselen vertonen.

 Toch voeren we bij deze ziekten een eigen beleid.

Krentenbaard:

Kinderen mogen op school komen als de zichtbare en onzichtbare wondjes zijn ingedroogd.

Dit heeft twee redenen:

  1. Hygiëne
  2. Kinderen kunnen, aan het open krabben van de wondjes, blijvende (soms ernstige) littekens overhouden, daarvoor willen en kunnen wij de verantwoordelijkheid niet nemen.

Waterpokken:

Ouders krijgen het advies de kinderen thuis te houden als ze er hinderlijk last van hebben.

Als de leerkracht echter van oordeel is dat het kind bovenmatig last heeft van de waterpokken kan zij/hij, in overleg met de directeur of diens vervanger, besluiten dat het kind pas weer naar school komt als de overlast verminderd is.

Tussenschoolse Opvang Mikz

Tussenschoolse Opvang Mikz

De kinderen van basisschool Baardwijk kunnen met veel plezier overblijven doordat Stichting TOM (Tussenschoolse Opvang Mikz) een leuke onderbreking van de schooldag van uw kind verzorgt, waarbij ze rustig hun boterhammetjes kunnen eten en een leuk en afwisselend aanbod krijgen! Stichting TOM zet daarvoor een coördinator in, die samen met pedagogisch medewerkers en de vrijwilligers, die bekend zijn bij uw kind(eren) en bij u, de kinderen begeleidt! Natuurlijk gezond! Dat smaakt.
Meer informatie vindt u in deze PDF

Het inschrijfformulier voor de tussenschoolse opvang vindt u hier.

Anti-Pestprotocol

Dit anti-PESTPROTOCOL heeft als doel:

“ Alle kinderen moeten zich in hun basisschoolperiode veilig kunnen voelen, zodat zij zich optimaal kunnen ontwikkelen”

Door regels en afspraken zichtbaar te maken kunnen kinderen en volwassenen, als er zich ongewenste situaties voordoen, elkaar aanspreken op deze regels en afspraken

Door elkaar te steunen en wederzijds respect te tonen stellen we alle kinderen in de gelegenheid om met veel plezier naar school te gaan!

Pesten op school                          

Traditioneel en digitaal pesten komt helaas op iedere school voor, ook bij ons. Het is een probleem dat wij onder ogen zien en op onze school serieus aan willen pakken.

Daar zijn wel enkele voorwaarden aan verbonden:

  • Pesten moet als probleem worden gezien door alle direct betrokken partijen: leerlingen (gepeste kinderen, pesters en de zwijgende groep), leerkrachten en de ouders.
  • De school moet proberen pestproblemen te voorkomen. Los van het feit of pesten wel of niet aan de orde is, moet het onderwerp pesten met de kinderen bespreekbaar worden gemaakt, waarna met hen regels worden vastgesteld.
  • De effecten van digitaal pesten kunnen erger zijn dan bij traditioneel pesten. Daarom willen wij als school de leerlingen bewust maken van de gevaren op internet, de effecten van digitaal pesten en de strafbare feiten.
  • Als pesten zich voordoet, moeten leerkrachten (in samenwerking met de ouders) dat kunnen signaleren en duidelijk stelling nemen.
  • Wanneer pesten ondanks alle inspanningen toch weer de kop opsteekt, moet de school beschikken over een directe aanpak.
  • Wanneer de aanpak van het probleem niet het gewenste resultaat oplevert kan  een vertrouwenspersoon (intern/extern) ingeschakeld worden.

Leerkrachten en ouders moeten alert zijn op de manier waarop kinderen met elkaar omgaan en duidelijk stelling nemen wanneer bepaalde gedragingen de algemene maatschappelijke norm overschrijden.

Hoe gaan wij op bs Baardwijk met pesten om?

    Een effectieve manier om pesten te stoppen of binnen de perken te houden, is het afspreken van regels voor de leerlingen.

    Aan het begin van elk schooljaar wordt er extra aandacht besteed aan de regels en afspraken en aan het pestprotocol. 

    Onderwerpen als veiligheid, omgaan met elkaar, rollen in een groep, aanpak van ruzies etc. kunnen aan de orde komen. Andere werkvormen zijn ook denkbaar, zoals; spreekbeurten, rollenspelen, regels met elkaar afspreken over omgaan met elkaar en groepsopdrachten.

    We maken afspraken met de leerlingen over juist internetgedrag en de leerlingen behalen het Diploma Veilig Internet.

    Ouders informeren dmv een ouderavond. Ouders zijn in het algemeen niet goed op de hoogte van wat hun kind op internet doet. Alleen door met de ouders samen te werken is digitaal pesten aan te pakken.

    Het voorbeeld van de leerkrachten en de ouders is van groot belang. Er zal minder gepest worden in een klimaat waar duidelijkheid heerst over de omgang met elkaar, waar verschillen worden aanvaard en waar ruzies niet met geweld worden opgelost maar uitgesproken. Agressief gedrag van leerkrachten, ouders en de leerlingen wordt niet geaccepteerd. Leerkrachten, ouders en leerlingen horen duidelijk stelling te nemen tegen dergelijke gedragingen.

Belangrijke regels bij het hanteren van het anti-pestprotocol.

REGEL 1:

Een belangrijke stelregel is dat het inschakelen van de leerkracht niet wordt opgevat als klikken. Vanaf de kleutergroep brengen we kinderen dit al bij:

“Je mag niet klikken, maar……als je wordt gepest of als je ruzie met een ander hebt en je komt er zelf niet uit dan mag je hulp aan de leerkracht vragen. Dit wordt niet gezien als klikken”.
Deze regel geldt natuurlijk ook voor de ouders van alle kinderen.

REGEL 2:

Een tweede stelregel is dat een medeleerling ook de verantwoordelijkheid heeft om het pestprobleem bij de leerkracht aan te kaarten. Alle leerlingen zijn immers verantwoordelijk voor een goede sfeer in de groep.

REGEL 3:

Samenwerken zonder bemoeienissen: School en gezin halen voordeel uit een goede samenwerking en communicatie. Dit neemt niet weg dat iedere partij moet waken over haar eigen grenzen. Het is bijvoorbeeld niet de bedoeling dat ouders naar school komen om eigenhandig een probleem voor hun kind op te komen lossen. Samen met de leerkracht(en) wordt naar een oplossing gezocht en wordt actie ondernomen.

Onze regels op bs Baardwijk:

  1. Wij spelen en werken samen. Iedereen hoort erbij. 
  2. Wij noemen elkaar bij de voornaam..
  3. Wij blijven van elkaar en van elkaars spullen af.
  4. Wij proberen rustig samen te praten en luisteren naar elkaar om het probleem op te lossen.
  5. Wij denken eerst na voor we iets doen.
  6. Wij gaan met elkaar om zoals je zelf ook benadert zou willen worden.
  7. Deze regels gelden op school en daarbuiten. 

Toevoeging:

Kinderen mogen in hun eigen groep een aanvulling geven op deze vastgestelde schoolregels, in overleg met de leerkracht.

Die aanvulling wordt opgesteld, door en met de groep, dit zijn de zgn. groepsregels

Zowel schoolregels als groepsregels worden in positieve woorden beschreven zijn zichtbaar in de klas/school opgehangen.

Wat doen we als……

Er gesignaleerd wordt (door gepeste leerling zelf, ouders, andere leerling of leerkracht) dat een leerling wordt gepest?

    De leerkracht brengt de partijen bij elkaar voor een verhelderinggesprek en probeert samen met hen de pesterijen op te lossen en (nieuwe) afspraken te maken.

    Bij herhaaldelijk pestgedrag neemt de leerkracht duidelijk stelling en houdt een gesprek met de leerling die pest.

    Bij pestgedrag worden de ouders( van pester en gepeste) op de hoogte gebracht van het pestgedrag. Leerkracht(en) en ouders proberen in goed overleg samen te werken aan een bevredigende oplossing.

De leerkracht het idee heeft dat er sprake is van onderhuids pesten?

         In zo’n geval stelt de leerkracht een algemeen probleem aan de orde om langs die weg bij het probleem in de klas te komen.

De leerkracht biedt altijd hulp aan de gepeste en begeleidt de pester, indien nodig in overleg met de ouders en/of externe deskundigen. 
Bij aanhoudend pestgedrag kan deskundige hulp worden ingeschakeld zoals de Schoolbegeleidingsdienst, de schoolarts van de GGD of schoolmaatschappelijk werk.

Hoe begeleiden we……

 De gepeste leerling:

         We tonen medeleven en luisteren en vragen hoe en door wie er wordt gepest.

         We gaan na hoe de leerling zelf reageert, wat doet hij/zij voor tijdens en na het pesten.

         We laten de leerling inzien dat je soms ook op een andere manier kunt reageren.

         We gaan na welke oplossing het kind zelf wil.

         We benadrukken de sterke kanten van het kind.

         We stimuleren het dat de leerling zich anders/beter opstelt.

         We praten met de ouders van het kind (en de ouders van de pester).

         We plaatsen het kind niet in een uitzonderingspositie door het over te beschermen.

         We schakelen indien nodig, in overleg met de ouders, hulp in zoals: sociale vaardigheidstrainingen, Jeugdgezondheidszorg, huisarts, GGD.

De pester:

        We praten met de pester en we zoeken naar de reden van het pesten.

         We laten inzien wat het effect van zijn/ haar gedrag is voor de gepeste.

         We laten inzien welke positieve kanten de gepeste heeft

         We laten excuses aanbieden.

         We spreken bij herhaling de pester er weer op aan.

         We schakelen indien nodig, in overleg met de ouders, hulp in zoals: sociale vaardigheidstrainingen, Jeugdgezondheidszorg, huisarts, GGD.

De grote groep:

  • We maken het probleem bespreekbaar in de groep.
  • We stimuleren dat de kinderen een eigen standpunt innemen en eventueel partij trekken voor de gepeste leerling.
  • We bespreken met de leerlingen dat “meedoen” met de pester meestal kan leiden tot verergering van het probleem.
  • We laten inzien wat het effect van zijn/ haar gedrag is voor de gepeste.
  • We laten inzien welke positieve kanten de gepeste heeft
  • We schakelen indien nodig, in overleg met de ouders, hulp in zoals: sociale vaardigheidstrainingen, Jeugdgezondheidszorg, huisarts, GGD.

Adviezen aan……

De ouders van de gepeste kinderen:

         Houdt de communicatie met uw kind open, blijf in gesprek met uw kind.

         Pesten kunt u het beste direct met de leerkracht bespreken.

         Steun uw kind in het idee dat er een einde aan het pesten komt.

         Stimuleer de leerling om naar de leerkracht te gaan.

De ouders van pesters:

  • Neem het probleem van uw kind serieus.
  • Probeer achter de mogelijke oorzaak te komen.
  •  Maak uw kind gevoelig voor wat het anderen aandoet.
  • Corrigeer ongewenst gedrag en benoem het goede gedrag van uw kind.
  • Maak uw kind duidelijk dat u achter de beslissing van school staat.
  • Raak niet in paniek: elk kind loopt kans pester te worden.

De ouders van alle kinderen:

  • Neem de ouders van het gepeste kind serieus.
  • Houdt rekening met de gevoelens van de ouders van zowel het gepeste kind als ook de gevoelens van de pester.
  • Stimuleer uw kind om op een goede manier met andere kinderen om te gaan.
  • Corrigeer uw kind bij ongewenst gedrag en benoem goed gedrag.
  • Geef zelf het goede voorbeeld.
  • Leer uw kind voor anderen op te komen.
  • Leer uw kind voor zichzelf op te komen

Leerkrachten en de medezeggenschapsraad onderschrijven gezamenlijk dit anti-PESTPROTOCOL

Protocol onderwijsondersteuning zieke leerlingen en reductie schoolverzuim

Iedere school krijgt te maken met leerlingen die tijdelijk niet naar school kunnen komen omdat ze ziek zijn. De aard van de ziekte kan heel verschillend zijn: een griepje, een levensbedreigende ziekte, een ongeval, een chronische ziekte of psychosomatische klachten. Het is als school goed om afspraken te maken hoe te handelen wanneer een dergelijke situatie zich voordoet.

Verantwoordelijkheid

De verantwoordelijkheid voor het onderwijs aan een leerling, ziek of niet, ligt altijd bij de school waar de leerling staat ingeschreven.

Voor leerlingen die langdurig en/of chronisch ziek zijn, kan de school ondersteuning aanvragen van een consulent ondersteuning onderwijs zieke leerlingen werkzaam bij een onderwijsbegeleidingsdienst of bij een educatieve voorziening van een academisch ziekenhuis. Een consulent ondersteuning onderwijs zieke leerlingen kan de school helpen bij het opstellen en uitvoeren van een handelingsplan voor de zieke leerling, ook als een leerling met een chronische ziekte wel in staat is naar school te gaan. Er kan informatie gegeven worden over de mogelijke gevolgen van de ziekte, medicatie en/of de behandeling op leren en/of gedrag en de consulent kan in beperkte mate het onderwijs aan de zieke leerling verzorgen.

Hoe te handelen

Bij zieke leerlingen is de onderstaande wijze van werken een manier om de leerling betrokken te laten blijven bij de school en het onderwijsproces. De leerling houdt hierdoor toekomstperspectief en een sociaal-emotioneel isolement wordt zoveel mogelijk voorkomen. Deze werkwijze is er ook op gericht om de ziekmelding te voorkómen. Dit wordt door de school bewerkstelligd door middel van de in dit protocol beschreven afspraken, waardoor inzicht wordt verkregen in de werkelijke oorzaken van het verzuim. De leerkrachten zullen zich er tevens voor inzetten dat ouders/verzorgers en kinderen een sterke binding met school, leerkracht en klasgenoten hebben. Hierbij zal de school zorgdragen voor een goed pedagogisch klimaat.

Elke leerkracht houdt het verzuim van de kinderen uit zijn/haar groep een maandoverzicht bij. Maandelijks worden deze gegevens overgenomen in het administratiesysteem (Esis). Na verwerking krijgen de leerkrachten hun formulieren terug, zodat zij zicht houden op het totale verzuim van de kinderen.

Ziekmelding

Ouders/verzorgers melden de school dat hun kind ziek is. Degene die de boodschap aanneemt informeert naar de aard en ernst van de aandoening. We werken met een logboek om ziekmeldingen te noteren. Na 3 dagen neemt de leerkracht contact op met de ouders/verzorgers van het zieke kind. 

Korte ziekte/ongeval van een leerling (prognose: korter dan drie weken)

- De groepsleerkracht is de eerst verantwoordelijke voor het contact met de leerling en ouders/verzorgers.

- De leerkracht informeert de klasgenoten over de ziekmelding en zorgt ervoor dat er, als het langer dan een week gaat duren, contact opgenomen wordt met het zieke kind in de vorm van een kaartje, een attentie door de klas gemaakt of een bezoek.

- De groepsleerkracht informeert de directeur en de IB-er. Met de IB-er is voortdurend overleg over het handelingsplan.

- De groepsleerkracht informeert andere leerkrachten die lesgeven aan deze leerling en geeft zo nodig handelingsadviezen.

- Bij een te verwachten langere ziekteperiode en het niet of niet volledig naar school kunnen gaan kan de consulent onderwijsondersteuning zieke leerlingen van de schoolbegeleidingsdienst of van een educatieve voorziening van een academisch ziekenhuis ingeschakeld worden.

- De groepsleerkracht bewaakt de voortgang en meldt eventuele beëindiging van de ondersteuning door de consulent aan de overige leerkrachten, de directeur en de IB-er.

 Langdurige ziekte, chronische ziekte of opname in het ziekenhuis (prognose: langer dan drie weken):

- De groepsleerkracht onderneemt actie naar de ouders en heeft tijdens de ziekteperiode regelmatig contact met ouders en leerling.

- De leerkracht informeert het klasgenoten over de ziekmelding en zorgt ervoor dat er contact opgenomen wordt met het zieke kind in de vorm van een kaartje, attentie(s) door de klas gemaakt en/of bezoek.

- De groepsleerkracht informeert de directie, de IB-er en de overige leerkrachten.

- De IB-er neemt in overleg met de groepsleerkracht contact op met de consulenten onderwijsondersteuning zieke leerlingen van de

schoolbegeleidingsdienst of van een educatieve voorziening met de vraag om begeleiding van leerkracht en leerling.

- De groepsleerkracht bepaalt in samenspraak met de IB-er welk schoolwerk van belang is voor de leerling.

- De groepsleerkracht bespreekt na overleg met de leerling en de ouders één en ander met de klas en stimuleert klasgenoten contact te onderhouden.

- De groepsleerkracht informeert de directeur en de IB-er met enige regelmaat over de situatie en voortgang.

- De groepsleerkracht bewaakt de voortgang en meldt eventuele beëindiging ondersteuning door de consulent aan de overige leerkrachten, de directeur en de IB-er.

Verzuimgesprek

De leerkracht houdt bij langdurig ziekteverzuim en bij frequent kort durend verzuim een verzuimgesprek. In dit gesprek dient de oorzaak van het individuele verzuimgedrag aan de orde te komen. In bijlage 2 is een leidraad voor het verzuimgesprek opgenomen.

Na het gesprek zal duidelijk zijn of verzuimd werd als gevolg van medische klachten, schoolfactoren dan wel gezinsfactoren. Indien de oorzaak van het verzuim bekend is, zal gezamenlijk aan een oplossing van de problemen worden gewerkt. Ook de eventuele gemiste leerstofonderdelen  tijdens de verzuimperiode zijn onderwerp van gesprek.

De mogelijkheid van inschakelen van schoolarts en/of leerplichtambtenaar kan aan de orde komen.

Slot

De school voelt zich verantwoordelijk voor het welbevinden en voor een zo optimaal mogelijke voortgang van het onderwijs aan alle leerlingen, ook als deze een handicap hebben of ziek zijn. Een duidelijke handelwijze is zeer gewenst.